De Langstraatsite is ontwikkeld door J.S.M. van Velthoven© Alle rechten voorbehouden

Introductie
Lijnbekenden

De spoorweghaven was voor Riek geen onbekend terrein. In 1950 kende de spoorweghaven nog eb en vloed. Jos van Lieshout en Toon Waas, haar latere man, vonden bij eb in de spoorweghaven een houten roeiboot. Het bootje had oorlogsschade opgelopen, en gezamenlijk hebben ze toen het bootje geborgen en opgeknapt. Het stel ging dus lekker varen vanuit de spoorweghaven naar de Donge.

 

Een keer schatte men het tij verkeerd in. Het was eb en men kon niet meer in de spoorweghaven komen. Jos lukte het nog door diverse capriolen uit te halen aan land te geraken, maar Toon bleef achter. Janus ging 's nachts verschillende malen zijn bed uit om te informeren of Toon per ongeluk niet uit de boot was gestapt.

 

Al is het passagiersvervoer verdwenen, het goederenvervoer is nog aanzienlijk. Elke dag komt er rond 12.00 uur vanuit Lage Zwaluwe een WD-locomotief met heel veel wagons aan de haak het station Geertruidenberg binnenlopen.  Dit goederenvervoer bracht heel wat bedrijvigheid met zich mee op het station. Er was nog genoeg volk op het station te vinden, maar het bekende ratelgeluid dat men hoorde bij het bedienen van wissels en seinen was verstomd. Het station was nog open voor het in ontvangst nemen van goederen ter verzending.

 

Er wordt gerangeerd, en de wagons gaan naar de Tankfabriek, De Juin, Dongecentrale en Amercentrale. Ook de fietsenhandel van Piet Stoop aan de Stationsweg krijgt zijn mooie fietsen aangevoerd per spoor.

 

Janus van Lieshout was een man van uur en tijd. Zo werden in die tijd ook fietsen en andere losse goederen ter vervoer aangeboden. Dat kon tot een bepaalde tijd. Als men na sluitingstijd kwam nam Janus de goederen niet meer in ontvangst. Zijn vrouw zei dan tegen Janus dat hij niet moeilijk moest doen. Janus was echter niet te vermurwen.

 

In 1955 trouwde Riek vanuit het station met Toon Waas. Datzelfde jaar verhuist Janus naar de Graaf Willem I straat in Geertruidenberg.

 

De spoorweghaven was voor Riek geen onbekend terrein. In 1950 kende de spoorweghaven nog eb en vloed. Jos van Lieshout en Toon Waas, haar latere man, vonden bij eb in de spoorweghaven een houten roeiboot. Het bootje had oorlogsschade opgelopen, en gezamenlijk hebben ze toen het bootje geborgen en opgeknapt. Het stel ging dus lekker varen vanuit de spoorweghaven naar de Donge.

Een keer schatte men het tij verkeerd in. Het was eb en men kon niet meer in de spoorweghaven komen. Jos lukte het nog door diverse capriolen uit te halen aan land te geraken, maar Toon bleef achter. Janus ging 's nachts verschillende malen zijn bed uit om te informeren of Toon per ongeluk niet uit de boot was gestapt.

 

Riek trouwt met Toon Waas vanuit het station. De dag daarop worden de kinderen van de familie van Riek gefeteerd op de bovenverdieping van het station. Broer Jos is toen als clown opgetreden en paste zich een grote neus aan. Joop de Jong uit Geertruidenberg, die ook was geinviteerd was, weet zich te herinneren dat Janus weinig tot niets tolereerde. Je moest van het perron afblijven en je moest zeker geen sporen oversteken anders kon je beter naar huis gaan. Ik weet niet of Joop hem aardig vond.      

 

Toen Riek op het station woonde lag alleen Giel Oome in de spoorweghaven met zijn ark. Zwemmen deed Riek ook graag. De meeste Bergenaren moesten via de Koestraat, wachtpost 12 (Spitters) en een laan met bomen (best lang zegt Riek) naar de ingang van de zwemkom lopen.

 

Riek kon gewoon het emplacement oversteken en was dus snel met haar gebreide badpak in het zwembad te vinden. Van Meeuwen had een jachtterrein tussen de spoorweghaven en de Donge. Peridon had een steenkolenhandel(?) met laadperron op het emplacement. Riek heeft ook gezien, dat er ’s middags treinen vol afval vanuit Lage Zwaluwe naar Geertruidenberg kwamen. De wagons werden vervolgens leeggekieperd in spoorhaven.

 

In 2007, vindt er een bodemsanering van de Spoorhaven e.o. plaats. Het oude spoorwegterrein was gewoon tot een reguliere vuilstort geworden.

Als je ziet wat er allemaal uit de grond wordt gehaald in het kader van de sanering! Het station van Geertruidenberg, de goederenloods, het station van Waalwijk en de katholieke kerk van Geertruidenberg zijn weer uit de grond gehaald en zijn door de puinbreker gegaan. Het levert thans metershoge bergen gebroken puin op.

 

Riek van Lieshout heeft heel veel foto’s aangeleverd voor de site. Riek mijn hartelijke dank daarvoor.

 

Jos de Wit:

Jos komt uit een echte spoorwegfamilie. Zijn broer Bert, zijn vader en hijzelf werkten voor langere dan wel kortere tijd bij de Staatsspoorwegen later, in 1937, omgedoopt tot de NS. Zo maakten zijn vader en broer Bert de 40 jaar bij de NS vol.

De vader van Jos was lijnwerker op het traject Baardwijksche Steeg (RKC stadion)-Nieuwkuijk. Bert zocht zijn heil in de Randstad en was gestationeerd op het station Dordrecht. De vader van Jos wist het tot ploegbaas te brengen.

Jos verhuisde, toen hij 3 jaar was,  rond 1925/1926, naar wachtpost 31 aan de Stationsstraat in Drunen. Als er post binnenkwam voor de familie was had die steevast het adres wachtpost 31.   

 

In 1937 vestigde zich scheepsschroevengieterij Lips in Drunen. Naast scheepsschroeven werd in de oorlog heel veel groente, soms wel 5 wagons per dag, via de veiling in Drunen en het station Drunen-Heusden naar Duitsland verzonden. Jos was soms  treinconducteur op de LS, want als de reguliere conducteur uitviel belde de stationschef van Waalwijk (Kouters) op met de vraag of Jos niet wilde invallen.

 

Jos werkte van 1942-1945 bij de NS als stationsbediende. ’s Morgens werkte hij op het station Capelle=Vrijhoeve en ’s middags kon men hem vinden op het station Drunen-Heusden.

Op het station Drunen-Heusden werkte Jos o.a. met de stationsbedienden Mandemakers en Van Dungen.

Hij beheerde er o.a. de fietsenstalling, die zeer groot was.

 

Er was een groot vervoersaanbod bij het station Drunen=Heusden, en daarom had Jos soms werkdagen van 07.00 uur tot 20.30 uur. Die lange werkdagen echter weerhielden Jos er niet van een cursus Seintoestellen, geen Seinwezen heeft hij mij gezegd,  in Den Bosch te volgen. Bij de NS kende men in die tijd banen zoals lijnassistenten,  stationsambtenaren, haltechefs (Kruissen) en stationschefs.

 

Tijdens de beschietingen in het najaar van 1944 werd het station Drunen=Heusden erg beschadigd. Vanuit Lage Zwaluwe werden arbeiders met gereedschap maar zonder materiaal naar Drunen=Heusden gestuurd. Jos heeft toen maar met anderen het station provisorisch hersteld. Ook het oliehok verdween in die periode.

 

Toen de bruggen over de Baardwijksche Overlaat in 1945 werden vervangen door een dijk kwamen de arbeiders aan het project ’s avonds hun dorst lessen in het cafe dat nog steeds (onder) bij wachtpost 30 staat. Volgens Jos kruiste de tramlijn Den Bosch-Waalwijk de spoorlijn niet bij wachtpost 30 maar ging links bij wachtpost 30 onder de brug over de Baardwijksche Overlaat richting Waalwijk.

 

De wagons van de trein, zeker die van de 3e klasse, waren zeer eenvoudig. De zitplaatsen bestonden uit lattenbanken. Er reed wel een rijtuig voorzien van een wc mee. Voor Kruissen waren Hendriks en nog eerder Priem chefs van het station Drunen=Heusden.

 

Heel veel vertegenwoordigers in schoenen maakten gebruik van de trein. Jannie weet te vertellen dat die vertegenwoordigers, wanneer ze ’s morgens met de trein naar school in Den Bosch ging, al aan het kaarten waren.

 

Op het traject, dat voor Jos zo bekend is, zijn ook veel ongelukken gebeurd. Zo liep een groenteboer uit Elshout, dhr. Krol, onder de trein. De broer van Jos mocht de restanten opruimen. Er waren ook personen die graag de trein op snelheid uitdaagden. Zo liep het fataal af voor de waaghals, die dacht op zijn motorfiets de overweg eerder te kunnen passeren dan de locomotief. De trein was hem voor, en zo reed de waaghals zich tegen de trein te pletter.

 

Toen op 31 juli 1950 het personenvervoer op de LS werd gestaakt, werkte Kruissen al niet meer bij de NS.

  

Jos heeft na zijn avontuur bij NS jarenlang een sigarenmagazijn gehad in de Wolfshoek vlakbij wachtpost 32. Hij keek o.a. uit op villa Anna, op het huis van Tinus van Iersel, dat van rijwielhandel van den Hoven en dat van bakker van Delft.

 

Jos vertelt, dat er nogal wat kinderen uit Elshout waren die onderwijs volgden in Drunen zoals b.v. kinderen van boer Vermeer. De moeder van Jos fungeerde al voor 1942 als een soort klaarover avant la lettre. Om 16.00 uur kon men de moeder van Jos vinden bij wachtpost 31 ten einde de kinderen een veilige overgang naar  Elshout te garanderen. Wat wachtpost 30 betreft kon Jos mededelen dat daar Jo van Valen overwegwachteres was. Jos heeft na zijn avontuur bij NS jarenlang een sigarenmagazijn gehad in de Wolfshoek vlakbij wachtpost 32.  

In 1966 vertrekt Jos, die naast Bertus van Engelen woonde, i.v.m. de aanleg van de A59, naar Drunen. In het huis van Jos en Jannie was n.l. een viaduct gepland; er is een foto waarop te zien is dat de heipalen haast in zijn voormalig winkeltje staan. Jos woont nog steeds in Drunen; Jannie is in 2010 overleden.

Toon Spitters:

De vader van Toon Spitters, Jan, gaf leiding aan de onderhoudsploeg die als werkterrein de westelijke Langstraat had. De moeder van Antoon bediende 27 jaar lang de overweg bij wachtpost 12. Jan Spitters legde in 1949 met zijn ploeg het raccordement naar de nieuwe Amercentrale aan. Jan Spitters had een motorlorrie waarmee hij de lijn afstruinde. De motorlorrie had als domicilie het emplacement van Geertruidenberg. Jan werkte ook samen met mensen van bouwbedrijf Schapers-de Bont v.w.b. het onderhoud van de hoofdlijn.

 

Toon had een broer Jan. Jan werkte aanvankelijk bij de machinefabriek van Broeders in Geertruidenberg. Op 18 jarige leeftijd ging Jan werken bij NS als leerlingmachinist. Hierdoor viel hij niet onder de Arbeiteinsatz. Hij werd leerlingmachinist op de Langstraatspoorlijn. Ook Antoon Maas en Peter Gerritsen, beiden uit Geertruidenberg, gingen bij NS werken en ontkwamen zo aan de Arbeitseinsatz.

 

Anton is overleden in 2010 of 2009. Ik had hem nog zoveel willen vragen over de Langstraatspoorlijn. Misschien moet ik zijn vrouw nog eens een keer wat vragen over de lijn stellen.

 

Jan Wiersma:

Jan Wiersma was de zoon van H. Wiersma. H. Wiersma was de laatste stationschef van Geertruidenberg; hij was eerst haltechef in Geertruidenberg van 1 maart 1949 tot 1 januari 1950; op 1 januari 1950 wordt hij stationschef te Geertruidenberg. Op 14 augustus 1950 vertrekt het gezin uit Geertruidenberg. H. Wiersma wordt stationschef te Nieuweschans. Jan Wiersma werd geboren op 16 december 1937. Hieronder volgt de informatie welke ik van Jan Wiersma mocht ontvangen en mag publiceren op de website; het zijn de ervaringen van een 12 jarige jongen tijdens zijn korte verblijf op het station in Geertruidenberg. Jan trad niet in de voetsporen van zijn vader; hij werd fotograaf.

 

De mailing met dhr. J. Wiersma geef ik hier integraal weer.

 

HERINNERINGEN AAN ONS LEVEN OP STATION GEERTRUIDENBERG

 

Wij hadden twee jaar op het station Nijkerk gewoond en streken in 1949 in Geertruidenberg neer in de wetenschap dat het niet voor lang zou zijn. Nogal wat dozen met spullen werden ongeopend op de zolder neergezet, waar ze bleven tot de volgende verhuizing. Blijkbaar wisten mijn ouders welke toekomst de Langstraatlijn beschoren was.

 

In je jeugd op een station wonen, brengt voorrechten met zich mee waar de meeste jongens slechts van kunnen dromen. Goed, ik had ook wel eens op het paard van de schillenboer gezeten en zelfs was ik al een keer door een machinist op zijn loc getild voor een ritje van Nijkerk naar Putten, maar wat me in Den Berg overkwam, sloeg werkelijk alles. Daar was een rangeerder- ik trok altijd graag met rangeerders op-die me niet alleen meenam op zijn loc maar die mij de machine ook leerde bedienen.

 

Stel je voor! Ik was pas tien jaar en ik duwde wagons op, soms wel zes of zeven achter elkaar. Dan stond ik op de treeplank aan de zijkant van die groene "Sik", drukte de handle stevig omlaag, alles begon te trillen en wij snelden voort. Maar dan, op een teken van de rangeerder, deed ik de handle weer omhoog, de motor viel stil, ik trok de zware remhandle om, de Sik minderde vaart en de wagons reden, nu los van de loc, op eigen kracht door.

 

Mijn vader had mij zulke bezigheden verboden. Als ik dan toch met de Sik langs het station reed en naar hem zwaaide, draaide hij zich om. Hij wilde het niet gezien hebben.

Die rangeerder heette Mathijsen. Zijn oudere collega heette van Seters. Met hem mocht ik ook wel eens meerijden maar alleen als ik stil op het bankje in de Sik bleef zitten. Hij hield me dan de hele rit scherp in de gaten en zou me, geloof ik, het liefste vastgebonden hebben. Beide rangeerders hadden zo hun eigen aanpak. Van Seters leek daarin veel op mijn vader.

Verantwoordelijkheid woog hen zwaar. Angst voor het gevaar (dat er natuurlijk wel was) stond bij hen voorop. Zij waarschuwden voortdurend.

 

Fons Mathijsen gaf mij het gevoel dat ik verantwoordelijk was en intussen hield hij de vinger aan de pols. Het werk diende hij als het ware op in hapklare brokken, duidelijk en overzichtelijk en zo beperkt dat het niet mis kon gaan. In plaats van mij bang te maken voor onbekend gevaar dat je kon overkomen, liet hij me juist zien waar het loerde en dat het door angst niet verdween. Zijn tragische dood was voor mij een schok die ik amper kon verwerken. Later pas besefte ik wat hij voor mij betekende. Hij was een opvoeder die je leerde leven.

 

Kees is de zoon van Fons Mathijsen. Fons was rangeerder op het emplacement te Geertruidenberg. Fons kwam om het leven tijdens het rangeren op het emplacement te Breda.

 

Achter het station, als je alle spoorrails was overgestoken, kwam je op een zanderig terrein, dat aan de zuid- en oostkant werd begrensd door de Donge, die hier een grote bocht maakt voor hij onder de Bergsebrug doorstroomt. Deze reusachtige zandbak, schaars begroeid met gras en struiken en van mensen geheel verlaten, lag daar te wachten, vonden wij, tot mijn schoolkameraad Gerrie Dank en ik hem in bezit zouden nemen om er op woensdag- en zaterdagmiddagen en zondagen te ravotten, te graven en te bouwen.

 

Pal naast het station, aan de Veerse kant, stond een schuurtje. Waar het voor diende was onduidelijk. Voor de gieter en de paar bloempotten die er stonden, was het veel te groot. Er was blijkbaar al lange tijd geen bezoeker geweest want je kon er geen stap doen zonder met spinrag behangen te worden.

 

Het Brabant-gevoel vindt Jan terug in o.a. het kunstwerk: "l' Angelus du soir", een schilderij van Francois Millet waarvan hij vroeger een reproductie aan de muur had hangen. Dat beeld vertegenwoordigt zijn mijn Brabant-gevoel. Een boer en boerin bidden Het Angelus tijdens het werken op het land.

 

Toen de mogelijkheid zich voordeed, ben ik eens teruggegaan naar Geertruidenberg. Het was hartje winter. Ik kon een nacht logeren bij de weduwe van Seters die in 't Veer aan de weg naar Raamsdonk woonde.

 

Een andere keer overnachtte ik bij de familie van Lieshout die nu op "ons" station woonde. Een wonderlijke ervaring! Nee, niet die andere mensen in dat vertrouwde huis maar dat er in dat huis opeens zo véél mensen aan de eettafel zaten, misschien wel tien of twaalf, terwijl wij thuis maar met vier waren.

 

En het ging er ook heel anders toe dan ik gewend was. Bij ons thuis heerste de hele maaltijd een grafstemming, niemand deed zijn mond open behalve om eten naar binnen te schuiven en ook bidden voor en na de maaltijd gebeurde in doodse stilte. Wat was het hier dan gezellig!

 

De moeder van al die kinderen stond met een schort voor en een pollepel in haar hand het eten in al die borden te scheppen, daarbij bad ze hardop en ondertussen bewaakte ze de orde.

 

We gingen bijtijds naar bed. Ik sliep op de jongenszolder en ontwaakte toen het nog donker was. Een stem, dwingend maar ingehouden om anderen niet te storen, had één van de jongens geroepen. Geschuifel en geritsel, toen dommelde ik weer in, tot de stem andermaal een slaapkop tot school of arbeid riep en zo ging het door zolang ik nog gezelschap had. Toen stond ik zelf op, maakte me na het ontbijt reisvaardig en vertrok, dankbaar gestemd.

 

In de herinneringen van Riek van Lieshout (in "Lijnbekenden") las ik uw opmerkingen over het aankondigen van treinen d.m.v. het Morse-telegraafsysteem. U veronderstelt dat het in 1950 nog in gebruik was. Dat klopt, zoals ik in dat jaar of een jaar eerder aan den lijve heb ondervonden.

 

Het Morse-toestel stond in het kantoor op een donkerbruine houten tafel aan de perronkant, ongeveer in het midden, meen ik. Het was niet afgeschermd met een kap of zoiets; het inwendige, dus ook de werking, was direct zichtbaar. Hoogst interessant voor nieuwsgierige jongetjes! Vaak keek ik met verbazing toe hoe dat papieren lint er in voortschoof, en door een wieltje (?) met inkt werd beschreven met streepjes zonder dat er een hand aan te pas kwam, zo leek het tenminste.

 

Op een dag zat ik weer eens aan die tafel, mijn hand rustte op het Morse-toestel en plotseling, terwijl het apparaat in werking trad, voelde ik een stevige schok, zo onplezierig dat het me nu nog heugt.

 

Op de foto van de heer Alders zijn de afgebeelde personen wel erg klein om ze met zekerheid te herkennen. Toch, als ik postuur en houding van de man die het sein voor vertrek geeft goed bekijk, dan zeg ik: hij zou mijn vader kúnnen zijn. Maar een kleindochter van van Lieshout herkent in hem haar opa en dat zou ook best kunnen, maar ik denk zelf dat die aan de hendels stond. Wie dat jongetje is, weet ik niet. Misschien ben ik het zelf wel. Was ú het niet?

 

Op de vragen over de hendels en de brug moet ik helaas het antwoord schuldig blijven. Mijn belangstelling voor de technische kanten van het spoorwezen is altijd heel oppervlakkig geweest.

 

Ik geef u hierbij met genoegen toestemming voor het gebruik op uw website van mijn verhaal en de aanvullingen, uitgezonderd de namen van niet aan het spoor verbonden personen, tenzij die personen zelf in vermelding van hun naam hebben toegestemd of niet meer in leven zijn.

 

Hartelijk dank voor uw bericht.

Zeer verrast was ik te lezen dat zich in deze tijd van Internet, game boys en Ipods nog jonge mensen zich bezig houden met knutselen, zoals het nabouwen van een NS-station en nog wel één dat niet meer bestaat. De laatste omstandigheid verklaart uw vragen zoals die over de stenen waarvan het gebouw is opgetrokken en de kleur van kozijnen en deuren. Hoe spijt het mij dat ik het antwoord schuldig moet blijven!

 

Ons leven in Geertruidenberg heeft zich in mijn geheugen vastgezet als een zwart-witfilm. Een paar uitzonderingen had ik reeds genoemd. Voor uw doel van geen belang maar nog steeds, bij wijze van spreken, op mijn netvlies gebrand staat de gloedvolle haarkleur van Lien Okkerse. Had ik daar maar niet zo vaak naar gekeken en wat meer naar kozijnen en deuren.

 

U vraagt ook naar het tweede perron en dat verbaast me nogal want zover ik weet, wás er destijds helemaal geen tweede perron. Is het er misschien vóór onze tijd geweest of is het er na het opheffen van het personenvervoer gekomen? Op de plaats waar men het zou verwachten aquarelleerde Kemper in 1963 (?) iets wat veel op een enigszins verhoogd zandlichaam lijkt, niet op een geplaveid perron.

 

Ik denk niet dat ik het jongetje op de Sik was. In die tijd (en nog lang erna) was ik een echte wittekop: helblond. Was ik het wel op die Sik dan zou mijn haar, ook als ik bedenk dat ik binnen sta en dat mijn haar dus minder licht reflecteert dan buiten, toch, zeker tegen het donkere gedeelte erachter, veel lichter moeten zijn.

 

Er is nóg een reden waarom ik niet geloof dat ik het was. De man die met één voet op de treeplank staat, en met zijn hand aan de hendel, is vrijwel zeker mijn vader. Het blijft moeilijk te zien door al die strepen over het beeld maar als niemand hem als Van Lieshout herkent, waar hij van verre enigszins op kan lijken, dan is het mijn vader. In dat geval ben ik beslist niet dat jongetje. U weet inmiddels wel waarom niet!

 

Tot slot wens ik u en de uwen het allerbeste en ook veel succes bij het uitbreiden van de website.

 

Met vriendelijke groeten,

Jan Wiersma.

 

Jan Snijders:

Jan is een zoon van Dries Snijders en een telg uit een oude aannemersgeslacht. De vader van Jan mocht zich meestertimmerman noemen; een term welke nog afkomstig uit uit het oude gildewezen.

Jan reisde niet veel met de trein. Natuurlijk mocht ook hij met zijn moeder boodschappen gaan doen in Den Bosch.

Na het doen van de boodschappen werd natuurlijk de St. Jan bezocht waar een kaarsje werd opgestoken en gebeden werd voor het welzijn van de familie en wat daar verder toe kon worden gerekend.

Jan wist mij te vertellen dat na de oorlog zijn vader heel veel wachtposten langs de lijn heeft hersteld. Op het station Drunen=Heusden stapte Dries met zijn medewerkers en materiaal op de trein om de lijn weer going te maken. Hij vertelde mij ook dat er wel mensen waren maar dat het materiaal ontbrak. Aangekomen op de werkplek kon men dus niet doen wat men wilde doen. Materiaalschaarste noemen we dat.

 

 

 

 

Home.