


De Langstraatsite is ontwikkeld door J.S.M. van Velthoven© Alle rechten voorbehouden





Het verhaal over de spoorlijn begint bij mijn opa van moederskant. Opa was de jongste in een gezin van twaalf kinderen. Mijn opa Sebastianus Gerardus Berende c.q. Sjaan werd boer in de traditie van zijn familie. Hij werd geboren in Geertruidenberg en overleed daar ook in augustus 1935. Hij ging elke woensdagmorgen met de (markt)trein naar de Bossche markt. Voorzover ik weet werd de Bossche veemarkt gehouden in wat nu de Brabanthallen heten. Het gebouw dateert uit 1931 en bestaat dus tachtig jaar. Voor 1931 was er natuurlijk ook al een Bossche veemarkt zij het op een andere locatie. Ik leid dit af uit een foto van de stopplaats Vlijmen Heidijk. Daar staan boeren op de trein te wachten om naar de veemarkt te gaan. Deze stopplaats is op 1 mei 1907 gesloten.
Om te voorkomen dat hij de trein zou missen nam opa een half uur voor vertrek plaats in de 3e klasse wachtkamer van het station Geertruidenberg.
Opa stond vroeg op en ging vroeg naar bed; ergo: om vijf uur op en 's avonds om 19.00 uur klaar met melken van de koeien. Hij bleef daarna nog tot 21.00 in de woonkamer zitten om de krant te lezen en met oma de afgelopen dag door te spreken. Alleen in de herst- en wintermaanden was hij geabonneerd op de krant. Na het lezen van de krant ging hij naar de schuur om de beesten van nachtvoer en vers stro te voorzien. Rond 21.30 zocht hij de bedstee op.
Voor de dagindeling van mijn opa betekende een verblijf van een half uur in de wachtkamer van het station van Geertruidenberg niet zoveel. Ver naar het station hoefde mijn opa trouwens ook niet te lopen want zijn boerderij lag op niet meer dan 200 meter afstand van het station. Zijn vrouw, mijn oma Jans Stael, geboren op 2 september 1876 in Hank, was dubbel van staal zei ze altijd want zowel haar vader als haar moeder Carolien heetten Staal. Oma heeft nog met haar vader in het Bergsche Veld op elft en steur gevist. Ook werkte ze voor haar trouw in cafe Staal dat gelegen was bij de beetwortelfabriek Statendam, en dat gerund werd door de vrouw van een broer van haar moeder. Over de contacten met de “peejenschippers” kon ze uren vertellen. Ze zei altijd tegen de schippers dat ze van haar lijf moesten afblijven want anders zou ze de ogen uit hunne kop krabben.
Oma trouwde in 1899 met opa en ging met hem in zijn boerderij in de Koestraat wonen. Oma maakte veelvuldig gebruik van de Zuiderstoomtram om inkopen in Oosterhout te doen. Boodschappen doen in Breda, Waalwijk of Den Bosch was er niet bij. Ze heeft dus zeker niet veel in de trein gezeten. Oma kende in haar jeugdjaren alleen vervoer per rijtuig, kar, (bak)fiets, schip en (stoom)veer. Een spoorlijn, een tramlijn laat staan een station waren in die contreien onbekend.
Oma wist nog te vertellen over de tijd dat de Bergse Maas nog niet gegraven was. Het Oude Maasje mondde toen nog uit bij Keizersveer in de rivier de Amer. Met een pont kon men van Hank naar Keizersveer varen. In 1904 waren de werkzaamheden m.b.t. het verleggen van de Maasmond gerealiseerd. De Bergse Maas stroomde nu door het Land van Heusden en Altena. De verbinding tussen Hank en Keizersveer werd onderhouden door een stoomveer. Pas in 1931 komt er een vaste oeververbinding tussen Hank en Keizersveer.
Bij het projecteren van de Langstraatspoorlijn vanaf Waalwijk naar Den Bosch koos men niet voor een traject door het Overland want daar woonden te weinig mensen. Men ging dus voorbij aan plaatsen zoals Dussen, Eethen Meeuwen, Genderen en Heusden.
Wanneer mijn oma weer met de Zuiderstoomtram vanuit Oosterhout terug was in Geertruidenberg bleef ze rustig zitten totdat alle passagiers waren uitgestapt. De conducteur zei dan tegen haar dat het tijd was om de tram te verlaten. Oma zei dan tegen hem in haar Hanks dialect: "Ik rij er m'n centen schoon uit." Daar kon de conducteur het mee doen.
Als oma ergens naar toe moest en ze vond de afstand niet al te groot dan zei ze dat de afstand geen Bossche reis was of te wel de afstand Geertruidenberg-Den Bosch vond ze (te) groot.
Veel hebben mijn opa en oma dus niet gereisd. Samen reisden ze nooit. Het was Oosterhout voor oma en de veemarkt in Den Bosch voor opa. Bij hoge uitzondering ging oma op bedevaart naar Kevelaer. Oma zei altijd "de ge overal kon bidden", veel "beverden" c.q. ter bedevaart gaan deed ze dus niet. Als ze al eens op bedevaart ging deed ze dat samen met haar oudere zus Margriet geboren op 8 maart 1874 te Hank. Margriet, die eerst getrouwd was met Justinus van Dortmond uit Hank, trouwde na het overlijden van Tinus met Piet van der Ven uit Hooge Zwaluwe. Ze woonden in buurtschap de Helkant onder Hooge Zwaluwe. Margriet stapte dan, als zij ter bedevaart ging, op de trein in Hooge Zwaluwe en oma deed dat in Geertruidenberg. Samen spoorden ze dan naar Den Bosch. In Den Bosch stond dan de extra bedevaarttrein naar Kevelaer gereed. De vrouwen zaten in de voorste rijtuigen en de mannen in de achterste rijtuigen. Via Boxtel, Gennep en Goch ging men met de NBDS naar Kevelaer. In Kevelaer werd overnacht.
Mijn oma en haar zus Margriet zijn in 1932 samen voor het laatst op bedevaart naar Kevelaer gegaan. Zus Margriet wilde niet meer met de trein reizen. Haar man Piet van der Ven werd op 3 april 1933 rond 8.45 uur vermorzeld door de sneltrein komende vanuit Geertruidenberg.
Ook mijn vader, geboren op 29 januari 1911 te Hank, ging ter bedevaart naar Kevelaer. Elk jaar vertrok vanuit Heusden in combinatie met Drunen een processie naar Kevelaer. Dus ging mijn vader eerst met mensen uit Hank en Dussen naar het station Drunen=Heusden en daarna met de trein naar Den Bosch. In Den Bosch stond de bedevaarttrein richting Boxtel-Gennep-Goch-Kevelaer gereed.
In april 1945 gingen mijn moeder en ik, vader was overleden op 29 maart 1945, wonen op de boerderij van oma Berende in de Koestraat.
Toen ik met moeder in 1945 in Den Berg arriveerde was de Langstraatspoorlijn noch voor personen- noch voor goederenvervoer in gebruik. De brug over de Donge, de brug over de Baardwijkse Overlaat en het viaduct te Den Bosch konden niet worden bereden. Vanaf augustus 1945 t/m 1946 werd het herstel van de lijn krachtig ter hand genomen. Vooral het vervangen van het merendeel van de bruggen over de Baardwijkse Overlaat door een spoordijk was een omvangrijk karwei. Toen de Langstraatspoorlijn weer bereden kon worden zag men er aanvankelijk alleen goederentreinen. Het betreft hier zware kolentreinen getrokken door een of zelfs twee WD-machines met soms wel meer dan 60 wagons aan de haak, die vanuit Den Bosch over Geertruidenberg naar Rotterdam reden. Die kolentreinen passeerden de spoorbrug over de rivier de Donge, om vervolgens langs perron 2 in Geertruidenberg te worden opgesteld (perron 1 was gereserveerd voor personentreinen). Vervolgens werden enkele wagons t.b.v. de Dongecentrale losgekoppeld. Daarna reed de trein verder richting Lage Zwaluwe.
Ingaande 7 oktober 1947 werd het personenvervoer over de Langstraatspoorlijn gereactiveerd. Vanaf die datum ging ik als drie jarige met mijn moeder naar Waalwijk en Den Bosch. Wij zaten volgens mij altijd in een trein getrokken door een WD-locomotief.
Elk jaar zo rond eind oktober begin november, dus ook in 1947, startte de suikerbietencampagne in de suikerfabriek Statendam gelegen aan de Donge. De fabriek leverde pulp als bijproduct wat als veevoer diende. Als kind van 3 jaar zie je dan dat je ooms met kar en paard naar de pulpkuil op de boerderij in de Koestraat rijden om de pulp af te leveren. In de kuil moest de pulp worden aangetrapt. Ik mocht meehelpen de pulp aan te trappen. Dit hield in dat ik 's avonds wat later naar bed mocht. De pulpkuil werd steeds voller en uiteindelijk stond je een meter of twee hoger. Ik had zo een prachtig uitzicht op het spoorwegemplacement van Geertruidenberg en de diverse treinbewegingen in de late avond daar.
Wanneer ik met mijn moeder met de trein naar Waalwijk of Den Bosch reisde, dat was niet zo frequent, moest er natuurlijk eerst een kaartje, 3e klasse, gekocht worden aan het loket. Wanneer men het Bergse station binnenkwam zag men in de stationshal grote zwarte tegels liggen. Het voorfront van het plaatskaartenbureau en de rest van het houtwerk waren groen geverfd. In het voorfront zat een raampje en een schuiflade van bruin hout. In het voorfront zat glas. De kaartjes hingen in een kaartjeskast. Rechts naast het plaatskaartenbureau bevond zich achter een deur het bagagebureau, en links, ook achter een deur, was het bureau van de stationschef te vinden. Links in de stationshal kon men via een deur de wachtkamer 1e en 2e klasse bereiken.
In die wachtkamer bevond zich rechts een schoorsteenmantel met daarvoor een grote kolenkachel. Tegenover de kachel stond een bank. Via een van de twee deuren kon men op het perron komen.
Rechts in de stationshal kon men via een deur de wachtkamer 3e klasse bereiken.
Links in die wachtkamer was een ook schoorsteenmantel met daarvoor een grote kolenkachel; tegenover die kachel stond een bank. Via een van de drie deuren kon men op het perron komen. De wachtkamers waren hoog en voorzien van een houten vloer die veel lawaai maakte als je erop liep laat staan als je erop sprong. Reclame vond men ook in de wachtkamer en op het station. Volgens mij betrof het o.a. reclame voor een levensverzekering (RVS man en vrouw met paraplu) en voor zeer oude genever. Iets van Oude Delft herinner ik me ook nog wel.
Geertruidenberg had in mijn beleving niet alleen het mooiste station maar ook het mooiste nevengebouw van heel de Langstraatspoorlijn. Dit nevengebouw, de retirade, was voorzien van kantelen. Tussen dit nevengebouw en het station wapperde wanneer er iets te vieren viel de Nederlandse driekleur.
Het nevengebouw in Geertruidenberg was uniek. Het bestond uit twee gedeelten. Het eerste gedeelte diende als retirade. Het tweede gedeelte diende voor de ontvangst en opslag van goederen niet te verwarren met het bagagebureau dat zich in het station bevond. Het gedeelte waarin de goederen werden opgeslagen had een gekanteelde borstwering; bij de retirade bestond de borstwering uit kantelen waarop men een leuning had aangebracht.
De retirade had gescheiden toiletten voor mannen en vrouwen; er waren 4 vrouwen toiletten en 4 mannen toiletten. Daarnaast waren er in het mannengedeelte nog 6 urinoirs opgenomen.
Als men nu voor het station stond dan waren station en nevengebouw verbonden d.m.v. het beroemde zwart-wit diagonaal hekwerk. In dat hekwerk zat een poortje dat zich tegen het station bevond en waardoor men rechtstreeks naar het perron kon lopen. Daarna kwam de voorgevel van het nevengebouw. Men zag dan m.b.t. de retirade twee raampjes en een deur. De bovenlichten van de ramen en de deur bestonden uit halve cirkels. Wat het gedeelte van de goederenontvangst betrof zag men een deur welke uit twee gedeelten bestond en waarin ook weer het bovengenoemde bovenlicht zat.
Als men op het perron stond stond zag men links van het nevengebouw d.w.z. de retirade 2 deuren ook weer voorzien van halfronde bovenlichten; wat de retirade betreft zag men als men op het perron stond een deur en twee ramen. Tussen de deur en de ramen hing het bordje retirade.
Toen het personenvervoer voorbij was had men de retirade niet meer nodig en heeft men het nevengebouw, volgens mij reeds in 1950 of 1951, afgebroken. Ook verdwenen de reclameborden die tegen de gevel van het station bevestigd waren.
Wat de goederenloods betreft vormde Geertruidenberg ook een uitzondering. De goederenloods lag niet, zoals bij de andere stations, in het verlengde van het station. De goederenloods was gesitueerd midden op het emplacement.
In 1938 had het emplacement van Geertruidenberg zijn grootste omvang. Gedurende de periode 22 september-20 oktober 1939 werd het emplacement aanzienlijk vereenvoudigd. Zo werden veel sporen zoals het kopspoor aan de linkerzijde (richting Raamsdonksveer) verwijderd; daarnaast verdwenen op een na alle dubbele Engelse wissels. Het hendeltoestel kreeg heel wat minder hendels. Uiteindelijk bleven er 6 over. Een voor het sein bij wp 12 een voor het sein bij de goederenloods. De andere hendels bedienden de wissels.
Voor zover ik mij kan herinneren had het station van Geertruidenberg twee perrons, t.w. perron 1 een perron dat verbonden was met het station en perron 2, een eilandperron, dat vanaf het eind van perron 1 via een verzonken perronwand en een bielsbevloering was te bereiken. Op perron 2 lagen dikwijls remschoenen om te voorkomen dat afgerangeerd materiaal "op de loop ging". Volgens mij werd perron 2 nooit door personentreinen aangedaan. Zowel voor de richting Lage Zwaluwe als Den Bosch werd alleen perron 1 gebruikt. Station Waalwijk had ook twee perrons welke op dezelfde manier als in Geertruidenberg met elkaar verbonden waren. Ook het 2e perron was daar betegeld. Om de bielsovergang aan te geven werd de verzonken perronwand voorzien van een kalklaag hetgeen goed te zien is op een foto gemaakt in oktober 1940 te Waalwijk toen de spoorlijn 50 jaar bestond. Alhoewel station Waalwijk dezelfde perronstructuur had als Geertruidenberg werd hier langs perron 2 wel gestopt door personentreinen komende vanuit Lage Zwaluwe.
Ook Vlijmen, Drunen=Heusden en Hooge Zwaluwe hadden een 2e perron dat op dezelfde manier als hierboven beschreven was te bereiken.
Op het station in Geertruidenberg was op perron 1 voor de bovengenoemde vereenvoudiging zowel aan de linker- als rechterzijde een kopspoor met stootblok aanwezig. Tijdens die vereenvoudiging werd o.a. het kopspoor richting Den Bosch opgebroken.
Ik weet nog dat het kopspoor richting Made aanwezig was. Dit spoor werd weinig gebruikt en was overwoekerd door gras. In 1950 heb ik gezien hoe men het stootblok uitgroef en het kopspoor opbrak.
Op perron 1 van Geertruidenberg bevond zich een hendelinrichting om de seinen en wissels te bedienen. Op het emplacement van Geertruidenberg stonden twee eenarmige seinpalen. Het eerste sein stond, komende vanuit Made, even na wp 12. Het tweede stond ter hoogte van de goederenloods. Ergo: zowel de west- als de oostkant van het emplacement werden beveiligd door een sein. Het bedienen van seinen en het omleggen van wissels is meestal gekoppeld. Naast seinpalen en wissels was men op het station in Geertruidenberg ook ingeschakeld bij de beveiliging van de spoorbrug.
Er liepen vanaf het station in Geertruidenberg twee trekdraden langs de noordzijde van de twee aanbruggen naar het klinkmechanisme op de laatste pijler van die aanbruggen. Ook de halte Raamsdonksveer=Keizersdijk was betrokken bij de beveiliging van de spoorbrug. Vanaf deze halte liepen ten noorden van de spoorlijn twee trekdraden richting klinkmechanisme op de oostelijke pijler. Wanneer de spoorbrug goed was opgezet zorgden bovengenoemde klinkmechanismen er voor dat de trekdraden richting Geertruidenberg en richting Raamsdonksveer werden aangetrokken zodat men in beide plaatsen er zeker van kon zijn dat de brug te berijden was. Wanneer de brug werd geopend kreeg men zowel in Geertruidenberg als in Raamsdonksveer via de de trekdraden de melding dat de brug niet te berijden was. Voor een verdere uiteenzetting v.w.b. de beveiliging wordt verwezen naar de webpagina Traject Geertruidenberg-Raamsdonksveer.
In Geertruidenberg kon men vanaf perron 1 via een afstapje en een bielsbevloering naar de lorrieloods lopen. De lorrie was een groen motorwagentje met een rode vlag aan de rechter kant vervaardigd door de firma Wickham in Engeland; de lorrie is aangeschaft door NS in 1950. De lorrie werd ingezet voor het vervoer en inspectie van het traject Geertruidenberg-Zwaluwe. Eerst werd een frame voorzien van rails op een draaipunt in de bevloering van spoor 4 geplaatst.
De lorrie werd met mankracht op dat frame geduwd en daarna 90 graden in de linker dan wel rechter richting gedraaid om vervolgens op spoor 4 zijn weg te vervolgen.
Voorbij wachtpost 12 (Spitters) lag een wissel. Het rechtdoorgaande spoor liep langs perron 2 rechtstreeks richting spoorbrug. In het linksafbuigende spoor lag weer een wissel. Linksuitgaand liep er een spoor richting het stootblok bij de retirade. Rechtdoorgaand liep een spoor langs perron 1. Iets voor wachtpost 13 sloot dit spoor via een wissel weer aan op het spoor dat langs perron 2 liep.
Toen het personenvervoer op de Langstraatspoorlijn weer hervat was gingen mijn moeder en ik boodschappen doen in Waalwijk en/of Den Bosch. Meestal werd gestart in Waalwijk. Kon moeder niet "slagen" in Waalwijk dan werd de trein richting Den Bosch genomen.
Als ik dan op perron 1 stond, moeder bleef in de wachtkamer zitten, moest ik naar de wachtkamer teruglopen om haar te waarschuwen dat de trein er aan kwam. Ik zag de trein richting Den Bosch al in de verte bij wachtpost 12 aankomen. De trein bestond meestal uit een WD-locomotief en 3 rijtuigen t.w. een bagagerijtuig en 2 personenrijtuigen waarvan een 2e klasse. De rijtuigen waren voorzien van treeplanken en het was een hele klim om in de coupe te geraken. Een wc was volgens mij niet aanwezig. Ik herinner mij nog de rijtuigen waarvan de coupes met tussenschotten over de volle breedte van elkaar gescheiden waren. Men kon dus niet door het rijtuig lopen. Elke coupe had twee deuren. De banken in een coupe stonden tegenover elkaar. In de trein reed ook een conducteur mee. Ik heb me laten vertellen dat die de kaartjes controleerde door tijdens de rit via de treeplank langs de gehele lengte van het rijtuig van coupe naar coupe te lopen. Bij elke halte wisselde hij van rijtuig.
Als mijn moeder en ik boodschappen deden waren we zowat de hele dag op pad. We hadden 's morgens de trein van 10.41 uit Geertruidenberg naar Waalwijk genomen, en als we dan uiteindelijk toch nog met de trein vanuit Waalwijk naar Den Bosch gingen werd de terugreis naar Den Berg meestal per BBA bus gemaakt. Dit kwam omdat mijn moeder de trein van 17.21 naar Den Berg te vroeg vond en de trein van 21.21 te laat. Wij dus met lijn 61 (de latere BBA lijn 22) terug naar Geertruidenberg. De busrit duurde 1 uur en 10 minuten. De treinreis daarentegen minder dan 1 uur, en was bovendien meer comfortabel dan het geslinger door de Langstraat met de bus ook al had de trein volgens sommigen "vierkaante" wielen. De bus vertrok vanaf het busstation bij het station Den Bosch; als men uit het station kwam lag het busstation aan de rechterkant. De bus richting Langstraat reed richting PNEM gebouw en vervolgens onder de twee spoorwegviaducten door richting Vlijmen. In Vlijmen werd gestopt bij de fabriek van Van Wagenberg-Festen. Er volgden nog veel meer halten. Raadpleeg daarvoor de webpagina Dienstregelingen.
We namen niet alleen de trein als we de hele dag gingen shoppen. Nee, het kwam ook voor dat we op woensdagmiddag met de trein van 14.31 naar Waalwijk gingen om gebak te kopen. Mijn moeder was een echte zoetekauw en voor vers slagroomgebak moest je echt in Waalwijk zijn vond ze. Voor (vierkante) appelflappen kon men altijd nog bij bakker Verschuuren op de Markt terecht.
Een oom en tante van mij van vaderskant, zij woonden in het buurtschap Peerenboom te Hank, maakten frequent gebruik van de Langstraatspoorlijn. Mijn tante ging reisde naar Den Bosch om ellegoed te kopen op de markt daar. Haar oudste broer, die toeziend voogd over mij was, bezocht regelmatig vergaderingen van het Waterschap in Dordrecht.
Hij reed net al mijn tante eerst op de fiets vanuit Hank naar de halte Raamsdonksveer=Keizersdijk. Daar werd de fiets gestald en een kaartje gekocht bij Bart Meulerik aan het raam van wp 15.
In de tweede helft van de veertiger jaren gingen mijn moeder en ik op zondagmiddag wandelen. Ik werd dan in een matrozenpakje gehesen (meestal gemaakt uit een oude jurk van een tante).
Tante Mieke, de vrouw van een broer van mijn moeder, maakte mijn matrozenpakjes. Op zondag ging ik dan wel eens met mijn moeder met de trein of achterop de fiets, als het weer het toeliet, naar Raamsdonk om bovengenoemde kleren te passen. Als we met de fiets gingen reden via de Nieuweweg en de overweg bij wp 17 naar die tante.
Mijn moeder vond het belangrijk dat ik een ringetje droeg. Niet een ringetje in mijn oor maar een ringetje met monogram aan een van mijn kleine vingers. Ik had daar een verschrikkelijke hekel aan. Zo kon het gebeuren dat, toen we met de trein naar Den Bosch zouden reizen, mijn moeder 's morgens dat ringetje niet van mijn vinger kreeg. Van alles werd geprobeerd. Groene zeep werd gebruikt maar niets lukte. Ten einde raad ging mijn moeder met mij naar onze buurman Tom Scherer. Tom wist wel raad met ringen die je niet van je vinger kon krijgen. Hij schoof de bek van een tangetje onder mijn ringetje en knip daar lag het onding. Zo kon het gebeuren dat we toch nog op tijd in de trein naar Den Bosch zaten.
Terug naar de wandelingen met mijn moeder op zondagmiddag eind veertiger jaren. Als we gingen wandelen probeerde ik zelf zoveel mogelijk de route te bepalen. Meestal ging het vanuit Koestraat 74 door de Leerthouwerstraat richting station en daarna verder richting spoorbrug.
We liepen ook wel eens naar wachtpost 12 richting Made; we namen daartoe vanaf wachtpost 12 het fietspad dat parallel aan de lijn liep. Dat mocht eigenlijk niet.
Wij liepen dus langs de lijn richting halte Made en Drimmelen. Ik zag o.a. hoe men bezig was met het aanleggen van een raccordement naar de in aanbouw zijnde Amercentrale. Men had daartoe rechtsuitgaand wissel in de spoorlijn richting Made gelegd. Ik wilde wel eens gaan kijken naar de bouw van die centrale. Mijn moeder zei dat ze niet wilde dat mijn kleren en schoenen onder de modder kwamen en dat daarnaast het bouwterrein verboden gebied was. In 1951 werd de Amercentrale geopend en alle scholen in Geertruidenberg gaven acte de presence om de opening luister bij te zetten. Ik zat toen in de 1e klas van de Lagere School. Zo kwam ik uiteindelijk in 1951 toch nog bij de Amercentrale terecht.
We liepen dus in 1949 het rechtsuitgaand wissel richting Amercentrale voorbij en vervolgden onze weg richting richting Made. Uiteindelijk kwamen we bij de halte Made en Drimmelen uit. Daar was op zondag niet veel te beleven. Je kon er op de trein wachten maar daar bleef het verder bij.
Voor meer avontuur moest je in het cafe van Sjoke Hop zijn dat tegenover de halte lag. Het was een boerderijtje met meerdere functionaliteiten zoals men dat tegenwoordig noemt. Het werd gemanaged door de gezusters Hop heb ik me laten vertellen. Bij Sjoke kon je op de trein wachten, een borreltje nemen en een ijsje eten. Mijn moeder en ik gingen altijd naar Sjoke als we toch bij de halte in Made waren. Mijn moeder nam een kop koffie of een flesje Oud Bruin; ik kreeg mijn ijsje en een glas Ranja. Men verkocht er ook Kwatta's en gevulde repen. Ik meen me te herinneren dat in het cafe van Sjoke liedjes klonken van Eddy Christiani zoals Kleine Greetje uit de polder, en Marleentje eet niet zoveel ijs.
Sjoke vertelde tegen mijn moeder dat er afgelopen zondag na de mis van 10.00 uur een man het cafe binnenkwam die richting Den Bosch moest. Hij moest de trein van 14.25 uur hebben. Hij miste zijn trein door de vele borrels en werd door Sjoke eigenhandig na het nuttigen van nog veel meer borrels op de trein van 19.30 uur richting Den Bosch gezet.
Terug lopen vanaf het cafe van Sjoke naar Den Berg was voor mijn moeder geen optie. We stapten in Made en Drimmelen op de trein, of ze een kaartje kocht weet ik niet, richting Den Berg.
Meestal wandelden wij echter richting station en spoorbrug. Vanaf het station tot aan de spoorbrug was het spoorwegterrein afgezet door met een zwart-wit diagonaal gevlochten hek. Aangekomen bij de spoorbrug over de Donge keek ik of de spoorbrug gesloten was. De spoorbrug was 's middags sowieso gesloten rond 13.00 uur en 14.30 uur. Misschien was de spoorbrug op zondag wel de gehele dag gesloten omdat er op die dag weinig scheepvaartverkeer was.
Ik zal rond 14.30 uur wel op de verkeersbrug, niet op het rolgedeelte, over de Donge hebben staan wachten op het passeren van de trein komende vanuit Geertruidenberg.
De zwart-witte rietenbal op het zuidelijk remmingswerk zal wel naar beneden zijn gehaald door de brugwachter. Het groene achthoekige gebouwtje stond in mijn tijd niet meer op het zuidelijk remmingswerk maar was bij het herstel van de spoorbrug verplaatst naar de oostelijke pijler.
Als ik daar zo op de trein stond te wachten stond mijn moeder te praten met Bergse en Veerse mensen die op zondag over de brug van Den Berg naar het Veer liepen en terug. Geen auto’s of andersoortig verkeer-alleen voetgangers op de brug.